(c)
Belgische Vereniging voor Anesthesie en Reanimatie
Wat is anesthesie ?
"Dokter, ik zal toch nog wakker worden ?" is een vraag die
patiënten vaak stellen aan de anesthesist. Het besef dat ze tijdens
de operatie de controle over het lichaam verliezen en in handen moeten
leggen van een arts die men niet goed kent, veroorzaakt bij veel patiënten
een grote angst.
Maar wat houdt een anesthesie nu eigenlijk in ?
Strikt genomen betekent de term anesthesie “ongevoelig zijn voor
pijn”. Maar anesthesie is veel meer dan enkel pijncontrole en
kunstmatige slaap. Als we woorden moeten kiezen om te beschrijven wat
een anesthesist nu werkelijk doet, dan zijn dat zonder twijfel de woorden
“bescherming “ en “stabilisatie “ van de levensbelangrijke
functies van het lichaam.
Waarom die bescherming en stabilisatie ?
1. Tijdens de operatie
Het is uiteraard de bedoeling van elke operatie om de patiënt te
genezen of beter te maken. Maar een operatie is ook een ontwrichtende
handeling en ervaring. Het lichaam krijgt tijdens een operatie heel
wat verstorende signalen te verwerken. Daarop reageert het lichaam onmiddellijk,
net zoals bij ziekte of een ongeval
a. Verstorende signalen tengevolge van het kwetsen van het
lichaam door de chirurg.
Vanuit de operatieplaats worden er verschillende verstorende signalen
naar de rest van het lichaam gestuurd. Het lichaam reageert daarop met
een zogenaamde “stress reactie”.
Enerzijds is er een signaal doorheen de zenuwen naar de hersenen dat
duidelijk maakt dat er ergens schade is veroorzaakt : dat signaal is
de pijn die je voelt. Pijn voelen kan mentaal en lichamelijk belastend
(invloed op hart, longen, …) zijn. Het is niet de bedoeling dat
de pijn ten gevolge van een operatie de patiënt nog meer belast.
Daarom zal de anesthesist zorgen voor een zo volledig mogelijke pijnverdoving.
Anderzijds vertrekken er vanuit het geopereerde gebied nog tal van andere
signalen rechtstreeks via de zenuwen naar allerlei andere organen, en
zetten die onder hoogspanning : de pols gaat sneller, de bloeddruk stijgt.
Ter hoogte van het geopereerde gebied worden daarenboven nog tal van
chemische stoffen gevormd die door het bloed worden opgenomen en zich
doorheen heel het lichaam verspreiden. Ook dit mechanisme verstoort
de werking van veel organen en regelsystemen.
Het gevolg van die verstorende factoren is dat de patiënt pijn
heeft, en zich zwak en vermoeid voelt na de operatie.
Het is de taak van de anesthesist om de patiënt hier met een aangepaste
narcose overheen te helpen.
b. De positionering op de operatietafel.
Doorgaans moet de patiënt voor meerdere uren bewegingsloos in een
onnatuurlijke positie op de operatietafel liggen. Door de constante
druk op huid, spieren en zenuwen kan beschadiging van deze structuren
optreden (b.v. doorligwonden). De anesthesist tracht die schade te vermijden
of zoveel mogelijk te beperken. Hij zorgt er ook voor dat de positionering
op de operatietafel geen negatieve invloed heeft op de bloedsomloop
en de werking van de longen.
c. Bijkomende ingrijpende handelingen tijdens de operatie.
Tijdens een operatie moet de chirurg vaak ingrijpende handelingen uitvoeren
om zijn doel te bereiken : bloedvaten afklemmen, organen uit de weg
duwen, delen van organen verwijderen, een long of zelfs het hart even
stilleggen. Het is zonder meer duidelijk dat dat een belangrijke weerslag
kan hebben op het functioneren van het lichaam als geheel.
Tijdens die kritische momenten zorgt de anesthesist ervoor dat de bloedsomloop
toereikend blijft, dat de longen voldoende zuurstof kunnen blijven opnemen,
dat de lever en nieren goed blijven werken, dat het bloed voldoende
stolt enz. Daardoor wordt het voor de chirurg ook mogelijk om ingrepen
te doen die normalerwijze onmogelijk zouden zijn, omdat ze het leven
van de patiënt in gevaar zouden brengen.
Tijdens de operatie is de patiënt dus volledig afhankelijk van
de anesthesist, en dat niet alleen voor de narcose in strikte zin, maar
ook voor het behoud van alle lichaamsfuncties.
2. Na de operatie.
De anesthesist heeft nu de taak om de patiënt over te schakelen
van een situatie die hij als arts volledig onder controle had tijdens
de operatie, naar een situatie waar het lichaam van de patiënt
opnieuw meer en meer zelfstandig moet gaan functioneren. De toediening
van anesthesieproducten wordt gestopt, en andere medicatie wordt opgestart.
Het duurt echter nog een tijdje voordat de medicamenten die tijdens
de narcose werden gebruikt volledig zijn uitgewerkt, met mogelijk een
verminderd bewustzijn en verminderde ademhaling tot gevolg de eerste
uren na de operatie. Ook pijnstillers die na de operatie worden toegediend
kunnen een invloed hebben op het bewustzijn en de ademhaling.
Bovendien betekent het einde van de operatie niet dat het lichaam al
volledig genezen is: er is gewerkt aan organen (b.v. de longen) en structuren
(b.v. de buikwand) zodat ademen moeilijker kan zijn, er zijn bloedvaten
doorgesneden wat een risico op nabloeden tot gevolg heeft. Het lichaam
zal meerdere dagen nodig hebben om zich te herstellen en dus een nieuwe
stabiliteit te verwerven.
De patiënt is dus na de operatie nog steeds in een zeer onstabiele
situatie die nauwlettend moet geobserveerd worden. Vandaar dat de patiënt
na de operatie naar de ontwaakzaal wordt gebracht waar hij onder bewaking
en in behandeling blijft tot zijn toestand gestabiliseerd is, en het
lichaam opnieuw voldoende functioneert (goede ademhaling, bloeddruk
en pijn onder controle, voldoende wakker).
Het verblijf in de ontwaakzaal varieert van een half uur tot meerdere
uren, afhankelijk van de ernst van de operatie en de toestand van de
patiënt. Bij zware operaties en bij zwaar zieke patiënten
opteert de anesthesist soms voor een vertraagd ontwaken: de anesthesie
wordt dan geleidelijkaan stopgezet. Als de anesthesist vermoedt dat
de patiënt binnen de 24 uur niet voldoende kan gestabiliseerd worden,
zal de patiënt meteen na de operatie naar de intensieve zorgenafdeling
worden gebracht.
In de ontwaakzaal zorgen hoog opgeleide verpleegkundigen onder leiding
van een continu aanwezige anesthesist voor de geopereerde patiënt.
Pas als de anesthesist die verantwoordelijk is voor de postoperatieve
zorgeneenheid ervan overtuigd is dat de geopereerde patiënt terug
in een voldoende stabiele conditie is, en geen intensieve bewaking met
allerlei apparatuur meer nodig heeft, kan de patiënt naar zijn
kamer terugkeren. Het is immers de bedoeling dat op de kamer de patiënt
als het ware zichzelf kan bewaken en bij ongemak op de bel kan drukken
om de verpleegkundige te roepen.
Het preoperatieve nazicht.
Om de patiënt op een goede en veilige manier doorheen het operatiegebeuren
te kunnen loodsen moet de anesthesist goed weten in welke conditie de
patiënt verkeert. Daarbij is niet alleen de lichamelijke toestand
van belang. Het is minstens even belangrijk om te weten hoe de patiënt
emotioneel tegenover de operatie en de anesthesie staat, en welke wensen
en vragen hij heeft.
De anesthesist kan dat preoperatieve onderzoek de avond voor de ingreep
doen op de kamer van de patiënt. Maar in de praktijk gebeurt dat
steeds minder, omdat de tendens bestaat het ziekenhuisverblijf in te
korten (b.v. dagchirurgie, of patiënten die maar enkele uren voor
de operatie worden opgenomen).
Daarom wordt geprobeerd om het preoperatieve nazicht tijdens de raadpleging
te doen, al dan niet aansluitend op de raadpleging bij de chirurg.
De anesthesist zoekt volledige informatie over huidige en vroegere medicatie,
over ziektes en gewoontes (vb. hoge bloeddruk, roken, alcoholgebruik
of gebruik van andere genotsmiddelen, allergieën). Het is ook belangrijk
ziektetoestanden of problemen bij bloedverwanten te vermelden.
Het grote voordeel van de preoperatieve consultatie is dat de anesthesist
nog bijkomende onderzoeken kan plannen, en eventueel behandelingen kan
aanpassen of starten om de patiënt optimaal voor te bereiden op
de operatie en anesthesie.
Het preoperatief consult is voor de patiënt ook een gelegenheid
tot overleg met de anesthesist over de voorbereiding, het soort anesthesie,
en de situatie onmiddellijk na de anesthesie en de operatie, vooral
wat pijnverdoving en het verblijf in de ontwaakzaal betreft.
Soms is een bezoek aan de anesthesist niet strikt noodzakelijk, en volstaat
het om een vragenlijst in te vullen of om even telefonisch contact op
te nemen. Dat hangt niet zozeer af van het soort operatie, maar wel
van de algemene toestand van diegene die moet geopereerd worden. Bij
een kleine operatie bij een jong en gezond persoon kan het b.v. volstaan
om een vragenlijst in te vullen; maar een kleine operatie bij een oudere
persoon met hartlijden vergt wel degelijk een meer diepgaand preoperatief
nazicht door de anesthesist zelf.
Anesthesietechnieken.
In de praktijk bestaan er verschillende vormen van anesthesie. Er is
de algemene narcose waarbij de patiënt volledig “in slaap”
wordt gebracht, en er zijn de regionale anesthesietechnieken waarbij
maar een bepaald deel van het lichaam wordt “verdoofd”.
In het eerste geval wordt de pijnprikkel aangepakt ter hoogte van de
hersenen, bij een regionale anesthesie wordt juist verhinderd dat de
pijnprikkel de hersenen bereikt.
1. De algemene anesthesie.
Bij een algemene anesthesie wordt het bewustzijn tijdelijk uitgeschakeld.
Bij het begin van een algemene narcose (de inleiding) zal de anesthesist
meestal via een infuus (buisje in een ader) medicatie inspuiten (intraveneuze
anesthesie) of anesthesiegassen toedienen via een masker dat voor het
gezicht van de patiënt wordt gehouden (inhalatie anesthesie). Dankzij
die medicatie (het hypnoticum) zal de patiënt zeer snel (na een
paar seconden) bewusteloos worden – de patiënt wordt “in
slaap gedaan”.
In slaap doen betekent echter niet pijnvrij maken. Daarvoor zijn pijnstillers
nodig die de hersenen onverschillig maken voor pijn. Hiervoor worden
medicamenten gebruikt die verwant zijn aan morfine (de zogenaamde opiaten).
Vaak wordt ook medicatie toegediend om de spieren te verslappen (curare).
Door het verslappen van de spieren zal de chirurg de operatie gemakkelijker
kunnen uitvoeren.
Al deze medicamenten zullen echter ook tot gevolg hebben dat de patiënt
meestal niet meer voldoende kan ademen. Daarom zal de anesthesist zodra
de patiënt volledig bewusteloos is, een buisje in de luchtpijp
van de patiënt steken (intuberen). Dat buisje wordt verbonden met
een beademingstoestel dat ervoor zorgt dat de patiënt tijdens de
operatie toch voldoende zuurstof en eventueel ook anesthesiegassen krijgt
toegediend.
Tijdens de operatie zal de anesthesist voortdurend de diepte van de
narcose, de werking van hart, longen, nieren, hersenen in het oog houden,
evalueren en bijsturen daar waar nodig.
Een algemene anesthesie bestaat dus uit een combinatie van drie medicamenten
: “slaap”medicatie, krachtige pijnstillers en spierverslappers.
Daarbij komen dan nog de specifieke maatregelen en medicamenten om het
lichaam en de werking van alle organen stabiel te houden.
Tegen het einde van de operatie zal de anesthesist de medicatie die
de patiënt bewusteloos maakt en de medicatie voor spierontspanning
geleidelijk aan stoppen, zodat de patiënt langzaam terug wakker
wordt. Als de patiënt zelf opnieuw voldoende kan ademen, wordt
het beademingsbuisje uit de luchtpijp verwijderd.
2. De regionale anesthesietechnieken.
Bij een regionale anesthesie wordt slechts een bepaald deel van het
lichaam verdoofd. Regionale anesthesie wordt ook wel verkeerdelijk lokale
anesthesie genoemd. Een lokale anesthesie is eigenlijk het pijnvrij
maken van een klein gebied van het lichaam door een verdovingsmiddel
(lokaal anestheticum) ter plaatse onder de huid in te spuiten. (b.v.
bij het wegnemen van een wratje, verwijderen van een tand).
Bij regionale anesthesie wordt het lokaal anestheticum ingespoten rond
een grote zenuw die vanuit het ruggenmerg naar het te opereren gebied
loopt. Op die manier wordt een ganse streek (regio) verdoofd. Die werkwijze
maakt het mogelijk dat de patiënt wakker blijft tijdens de ingreep,
maar zorgt er toch voor dat de pijnprikkels vanuit het geopereerde gebied
de hersenen niet kunnen bereiken, en de patiënt de pijn dus ook
niet kan voelen.
Dat is het grote verschil met een algemene anesthesie. Bij een algemene
anesthesie zorgt de medicatie ervoor dat de hersenen van de patiënt
zich niet meer om het pijnsignaal bekommeren.
Bij een regionale (en ook bij een lokale anesthesie) geraakt het pijnsignaal
niet meer tot in de hersenen. Het signaal wordt gestopt, de telefoonlijn
wordt a.h.w. doorgesneden door de zenuwen die de pijnprikkels naar de
hersenen voeren, tijdelijk buiten werking te stellen.
Een regionale anesthesie kan uiteraard alleen voor die gebieden waarin
de zenuwen gemakkelijk te vinden en te blokkeren zijn (b.v. een arm,
been of het onderste deel van het lichaam).
Technisch gezien kunnen de regionale technieken op verschillende wijzen
gerealiseerd worden:
a. Spinale verdoving :
Dit is de zogenaamde ruggenprik waarbij de onderste lichaamshelft wordt
verdoofd. Met een fijne naald zal de anesthesist ter hoogte van de lenden
tussen de ruggenwervels prikken en een verdovingsmiddel inspuiten in
het vocht dat zich rond het ruggenmerg bevindt. De prik gaat doorheen
het omhulsel rond het ruggenmerg. Deze prik doet meestal niet meer pijn
dan de prik die men krijgt bij een bloedafname en kan zowel in zittende
als liggende houding gebeuren. Behalve een verdoving veroorzaakt deze
inspuiting ook een verlamming van de benen die blijft duren zolang de
verdoving werkt. Het is een snelle, eenvoudige techniek voor korte ingrepen
onder de navel.
b. Epidurale verdoving :
Deze gebeurt ook via de ruggenprik maar het verdovingsmiddel wordt net
buiten het omhulsel van het ruggenmerg ingespoten. Hierdoor duurt het
wat langer (ongeveer 15 minuten) voor de verdoving optimaal werkt. Het
grote voordeel van een epidurale verdoving is dat op hetzelfde moment
een katheter (dit is een zeer dun buisje) in de ruimte rond het ruggenmerg
kan worden ingebracht. Via deze katheter kan men de patiënt pijnverdoving
toedienen tot zelfs een paar dagen na de operatie.
c. Regionale anesthesie :
Hiermee wordt een lidmaat (of een deel ervan) pijnvrij gemaakt door
een verdovingsmiddel in te spuiten rond de zenuwen die naar het te opereren
lidmaat lopen. Om het verdovingsmiddel zo dicht mogelijk rond de zenuw
te kunnen inspuiten gaat de anesthesist terwijl hij de naald inbrengt
zeer kleine elektrische stroomstootjes doorheen de naald voeren. Als
de naaldpunt vlak bij de zenuw komt zal de patiënt deze stroomstootjes
voelen of kleine spierschokjes gewaarworden. Zo kan het lokale verdovingsmiddel
precies op de goede plaats worden ingespoten. Bij deze techniek kan
ook weer een katheter in de buurt van de zenuw worden geplaatst zodanig
dat men langs deze weg de eerste dagen na de operatie verdere pijnbestrijding
kan doen.
3. Algemene of Regionale anesthesie ?
De keuze voor een regionale dan wel een algemene anesthesie is afhankelijk
van verschillende factoren.
Sommige patiënten verkiezen een algemene boven een regionale anesthesie
“om het allemaal niet bewust te moeten meemaken”.
Soms is een algemene anesthesie absoluut noodzakelijk. Dat kan verschillende
redenen hebben : omdat de operatie lang duurt of omdat de patiënt
in een oncomfortabele houding op de operatietafel moet geïnstalleerd
worden. Een belangrijke reden is ook dat tijdens de operatie zodanig
ingrijpende handelingen moeten worden uitgevoerd (b.v. bij een hartoperatie)
dat de volledige controle over het lichaam tijdens een algemene anesthesie
garant staat voor een veilig verloop van de operatie.
De keuze wordt ook meebepaald door de voorkeur van de anesthesist en
de chirurg.
Een algemene anesthesie heeft het voordeel dat de anesthesist op elk
ogenblik onmiddellijk beschermende en corrigerende maatregelen kan nemen.
De anesthesist heeft immers alle belangrijke functies van het lichaam
van meet af aan overgenomen en volledig in beheer. Daarom is het soms
een voordeel te kiezen voor een algemene anesthesie bij zwaar zieke
personen, juist omwille van het feit dat de anesthesist de mogelijkheid
heeft om er snel en met alle middelen voor te zorgen dat alle lichaamsfuncties
normaal behouden blijven.
Het voordeel van een regionale anesthesie is dan weer dat de pijnbestrijding
na de operatie gemakkelijk kan worden verder gezet indien een katheter
werd ingebracht.
Alhoewel een regionale anesthesie per definitie betekent dat de hersenen,
dus het bewustzijn, niet het doelwit zijn, kan tijdens een regionale
anesthesie ook medicatie worden toegediend waar je slaperig van wordt
(sedativa). De patiënt is hierdoor niet echt diep in slaap maar
kan zich beter ontspannen en zich comfortabeler voelen.
Pijnbehandeling na de operatie.
Pijn is een signaal dat het lichaam stuurt om je ervan bewust te maken
dat er ergens in het lichaam iets mis loopt. Wanneer je in contact komt
met vuur zal je pijn voelen nog voor je je effectief hebt verbrand.
Het lichaam stuurt een waarschuwingssignaal uit zodat je maatregelen
kan nemen om te voorkomen dat je jezelf kwetst of nog meer kwetst. Pijn
heeft dus een beschermende functie.
Maar na een operatie kan deze beschermende functie ook nadelig werken.
Na een buikoperatie bijvoorbeeld, ga je door de pijn minder diep ademen
en zo weinig mogelijk hoesten. Dat heeft tot gevolg dat er minder zuurstof
wordt opgenomen. Zo loop je het risico om een longontsteking te krijgen.
Door de pijn na de operatie ga je ook geneigd zijn om wat minder te
bewegen. Daardoor kan je gemakkelijker bloedklonters vormen met mogelijk
een flebitis (ontsteking van de aders) tot gevolg. Die bloedklonters
kunnen ook loskomen en naar de longen schieten (longembolen). Dat kan
levensgevaarlijk zijn. Door de effecten die de pijn heeft op het lichaam
zal ook de bloeddruk stijgen en de pols versnellen. Dat kan dan weer
zeer nadelig zijn bij patiënten met hart of bloedvatziekten.
Een goede pijnbehandeling na de operatie is dan ook van het grootste
belang. Ze draagt ertoe bij dat er zich minder complicaties voordoen,
de patiënt zich comfortabeler voelt en sneller herstelt.
Er zijn verschillende vormen van pijnbehandeling.
1. Pilletjes, bruistabletten.
Dit zijn de alom gekende pijnstillers (b.v. Dafalgan®, Perdolan®,
Nurofen®, …) die gebruikt worden voor alle vormen van pijn.
Het duurt minstens een half uur voordat ze beginnen te werken en ze
moeten met de regelmaat van de klok worden ingenomen. Deze pijnstillers
worden meestal toegediend als de patiënt in staat is om te eten
en drinken en geen last heeft van misselijkheid of braken.
Sommige van deze medicamenten bestaan ook in inspuitbare vorm en kunnen
al tijdens en onmiddellijk na de operatie toegediend worden.
2. Inspuitingen.
Krachtige pijnstillers worden vaak via een inspuiting toegediend (opiaten
of morfine-achtige producten). Ze kunnen via het infuus (katheter in
een ader) of via de bilspier (intramusculaire injectie) worden toegediend.
Wanneer de toediening via het infuus gebeurt, komt de medicatie onmiddellijk
in de bloedbaan terecht en zal meteen beginnen te werken. Bij een intramusculaire
injectie kan het een twintigtal minuten duren voor het medicament begint
te werken. Soms geven ze aanleiding tot misselijkheid of braken.
3. Constante toediening van pijnmedicatie.
Een andere mogelijkheid is dat de patiënt continu via het infuus
of via de katheter, die geplaatst werd voor de regionale pijnverdoving,
een bepaalde hoeveelheid pijnmedicatie krijgt toegediend. Deze toediening
van de medicatie gebeurt meestal met behulp van een toestel (spuitdrijver).
4. Patiënt gecontroleerde pijnstilling
(of PCA).
Bij PCA wordt de pijnmedicatie toegediend via een pomp (de zogenaamde
“pijnpomp”). Het toestel dient al dan niet continu een hoeveelheid
pijnstillers toe via een infuus in een ader of via de regionale pijnverdovingstechniek.
Het grote voordeel bij deze vorm van pijnbestrijding is dat de patiënt
in grote mate zelf kan bepalen hoeveel pijnstillers hij krijgt toegediend.
Door een eenvoudige druk op de knop zal het toestel een vooraf ingestelde
dosis pijnstillers toedienen. Hoeveel medicatie er per druk op de knop
wordt toegediend en de maximale hoeveelheid per uur wordt vooraf door
de anesthesist ingesteld. De patiënt hoeft dus niet bang te zijn
dat hij “te veel” gaat krijgen. Hij kan zo vaak hij wil
op de knop drukken, maar het toestel gaat nooit meer dan de ingestelde
hoeveelheid per keer en per uur toedienen.
Na het drukken op de knop duurt het ongeveer een tiental minuten voor
de pijnstiller begint te werken.
Het grote voordeel van dit systeem is dat de patiënt niet steeds
de verpleegkundige hoeft te verwittigen wanneer hij (meer) pijn krijgt.
Daardoor is de patiënt niet meer afhankelijk van de verpleegkundigen
en kan hij in grote mate zelf zijn graad van pijnverdoving bepalen.
Deze toestellen kunnen opiaten geven via het infuus (intraveneuze weg)
of via een katheter die geplaatst werd voor een regionale techniek.
Dergelijke techniek wordt vooral gebruikt bij zware, pijnlijke ingrepen
vb. openbuik operaties, operaties aan de borstkas. Deze techniek wordt
voorgesteld en besproken tijden de preoperatieve consultatie anesthesie.
Wat zijn de mogelijke risico’s, bijwerkingen ?
Misselijkheid en braken.
Misselijkheid en braken kunnen door verschillende factoren veroorzaakt
worden. Ze zijn dus niet altijd te wijten aan de anesthesie. Dankzij
verbeterde medicatie en anesthesietechnieken is het risico op misselijkheid
en braken de laatste jaren juist sterk verminderd. De operatie (b.v.
buikoperaties, operaties aan de ogen, de oren), pijn en angst en de
pijnmedicatie zelf kunnen ook aan de basis liggen van misselijkheid
en braken. Bloed dat in de maag gelopen is b.v. na het trekken van een
tand geeft ook nogal eens aanleiding tot braken.
Als de patiënt reeds uit vroegere ervaringen weet dat hij/zij gemakkelijk
last heeft van misselijkheid en braken na een operatie, of bij mensen
met reisziekte is het aan te raden dit tijdig te melden aan de anesthesist.
De anesthesist kan dan tijdens de operatie al gepaste medicatie geven
om het probleem te helpen voorkomen. Misselijkheid en braken kunnen
bijna altijd verholpen worden, zij het soms met dure medicatie
Keelpijn en heesheid.
Patiënten kunnen na de operatie ook wat keelpijn hebben, of hees
zijn. Dat wordt veroorzaakt door het buisje dat in de luchtweg wordt
geplaatst om de verbinding te maken met de anesthesiemachine. De maagsonde
die bij sommige operaties wordt geplaatst kan ook irritatie in de keel
veroorzaken. Het probleem verdwijnt spontaan na twee of drie dagen.
Beschadiging van het gebit.
Af en toe gebeurt het dat één of meerdere tanden beschadigd
worden bij het inbrengen van het beademingsbuisje. Dat komt vooral voor
bij patiënten met een kleine mondopening of stijve nek waardoor
het inbrengen van het beademingsbuisje moeizaam kan verlopen. Als daarenboven
de tanden slecht verzorgd zijn, is het te verwachten dat het gebit te
lijden heeft.
Spier- en rugpijn.
Spier- en rugpijn wordt veroorzaakt door lange tijd bewegingsloos in
een oncomfortabele houding op de operatietafel te moeten liggen. Patiënten
die regelmatig last hebben van rug- en/of nekpijn brengen dan ook best
de anesthesist of de verpleegkundigen in de operatiezaal hiervan op
de hoogte zodat men aangepaste maatregelen kan nemen (b.v. een extra
kussen onder de hals, rug of knieën).
Geheugen- en concentratiestoornissen, vermoeidheid.
Concentratiestoornissen en vermoeidheid worden niet alleen veroorzaakt
door de anesthesie, maar ook door de operatie zelf en de uitgelokte
stressreactie. Na een operatie heeft het lichaam tijd nodig om zich
te herstellen. Het is dan ook normaal dat men zich niet onmiddellijk
fit voelt.
Na de operatie is men nog een tijdje onder invloed van de anesthesiemedicatie.
Dit heeft tot gevolg dat men zich de eerste minuten tot zelfs enkele
uren na de operatie nog wat suf voelt en zich niets kan herinneren van
de operatie. Ook pijnstillers kunnen een effect hebben op het geheugen
en concentratievermogen.
Bij bejaarde personen kan de opname in het ziekenhuis, de verstoring
van de slaap en het dag/nacht ritme reeds aanleiding geven tot verwardheid.
Een operatie kan deze verwardheid nog verergeren. Ook bij drug- en alcoholgebruikers
kan verwardheid optreden door ontbering van de gewenningsmiddelen. Deze
verwardheid is meestal een tijdelijk verschijnsel dat zich na enkele
dagen spontaan herstelt.
Wakker worden tijdens de operatie (awareness).
Patiënten vrezen soms dat ze tijdens de ingreep gaan wakker worden.
Dit “wakker worden” slaat dus eigenlijk op het bewust beleven
van wat er tijdens de operatie gebeurt. Zoals hoger gesteld is de slaap,
het verlies van het bewustzijn dus, maar één component
van de anesthesie zelf. Dat tegelijk ook de pijnverdoving deficiënt
zou zijn is weinig waarschijnlijk. Bovendien moet dit “wakker
worden” ook omzichtig bekeken worden. Alhoewel er een algemene
uitschakeling is van het bewustzijn, blijven geluiden en andere prikkels
tijdens de narcose op het lichaam toestromen. Deze prikkels laten in
de hersenen sporen na die misschien achteraf als een periode van wakker
zijn en meebeleven van wat er gebeurde kunnen geïnterpreteerd worden.
Na de operatie wordt de patiënt wakker op de operatietafel, hij
wordt in zijn bed gelegd en naar de ontwaakzaal gebracht waar hij pas
echt helemaal wakker wordt. De patiënt slaagt er door de effecten
van de toegediende medicatie en de verwarrende omstandigheden niet altijd
in om een onderscheid te maken tussen de operatie zelf en de onmiddellijke
postoperatieve periode.
Met de huidige anesthesiemedicatie en -technieken is de kans dat men
wakker wordt tijdens een operatie zeer, zeer klein. De moderne bewakingsapparatuur
helpt de anesthesist om te bepalen hoe diep de narcose is. Indien nodig
zal hij extra medicatie toedienen zodat de patiënt diep genoeg
in slaap blijft. Het mag echter niet uit het oog verloren worden dat
patiënten onder elkaar sterk kunnen verschillen qua gevoeligheid
aan medicatie. Wat voor de ene meer dan voldoende is, is voor de andere
bepaald te weinig. Dit is onmogelijk te voorzien.
In uitzonderlijke gevallen kan de anesthesist slechts een “lichte”
narcose toedienen omdat de algemene gezondheidstoestand van de patiënt
te slecht is en zijn hart geen zware narcose aankan (b.v. patiënten
die na een zwaar verkeersongeval in kritieke toestand moeten geopereerd
worden, patiënten met zeer zware hartaandoeningen). Om het leven
van de patiënt te redden wordt dan voor een minder diepe narcose
gekozen waarbij echter wel het risico toeneemt dat de patiënt zich
iets van de operatie herinnert.
Overlijden.
Het risico dat men overlijdt ten gevolge van de anesthesie is uiterst
klein en hangt eerder samen met de algemene gezondheidstoestand van
de patiënt en eventuele complicaties die zich tijdens de operatie
voordoen.
Een risicoloze operatie en anesthesie bestaat niet, net zoals er altijd
een risico verbonden is met autorijden of de straat oversteken. Uiteraard
stelt de moderne anesthesie alles in het werk om het gebeuren rond de
operatie zo veilig mogelijk te laten verlopen. Daar waar vroeger het
risico op overlijden rond 1 op 15.000 lag, is het nu teruggedrongen
tot 1 op 400.000. Daarbij dient gesteld dat patiënten alsmaar ouder
worden en vaak grote gezondheidsproblemen hebben en dat veel ingrijpender
operaties kunnen worden uitgevoerd en dit alles met steeds minder risico.
Dankzij de moderne anesthesie worden nu miljoenen mensen geholpen die
vroeger geen schijn van kans zouden gehad hebben.
Allergische reacties op medicatie.
Het is belangrijk dat de patiënt de anesthesist voor de operatie
op de hoogte brengt van gekende allergieën bij zichzelf en familie.
Het feit dat de anesthesist krachtige medicatie in de bloedbaan spuit,
stelt de patiënt bloot aan soms levensbedreigende overgevoeligheidsreacties.
De anesthesist is er op getraind om deze reacties onmiddellijk te onderkennen
en te behandelen.
Zenuwbeschadiging.
Zenuwbeschadiging met verlamming of gevoelsstoornissen tot gevolg, treedt
uiterst zelden op. Ze kunnen het gevolg zijn van de langdurige immobilisatie
of moeilijke positionering op de toch wel harde tafel. Zenuwbeschadiging
kan ook optreden bij een regionale verdoving. Meestal verdwijnen de
klachten spontaan na 2 à 3 maanden.
Patiënten die gemakkelijk klachten hebben over tintelingen in armen
of benen (b.v. na langdurig zitten in dezelfde houding) of die tintelingen
hebben in de armen en de hals na b.v. een haarwassing bij de kapper,
vermelden dit best tijdens het preoperatief overleg met de anesthesist.
Hoofdpijn.
Na een ruggenprik (bij spinale en epidurale anesthesie) kunnen patiënten
last hebben van ernstige hoofdpijn. Algemeen wordt aangenomen dat de
hoofdpijn veroorzaakt wordt doordat bij de ruggenprik een klein beetje
ruggenmergvocht kan verloren gaan doorheen het gaatje dat door de naald
in het omhulsel rond het ruggenmerg wordt gemaakt. Hoewel steeds dunnere
naalden en fijnere technieken worden gebruikt is die hoofdpijn niet
altijd volledig te vermijden. De hoofdpijn vermindert meestal na enkele
uren en kan worden behandeld met pijnstillers. Heel af en toe is de
hoofdpijn zo uitgesproken dat de patiënt niet kan rechtop zitten.
De anesthesist kan dan beslissen om wat bloed uit een ader te nemen
en dat in te spuiten in het gebied waar de ruggenprik eerder gebeurde,
met de bedoeling dat het bloed een klonter vormt en zo het gaatje gaat
dichten (bloedpatch).
Hoofdpijn kan ook optreden bij patiënten die roken of veel koffie,
thee of cola drinken. Door het feit dat men nuchter moet blijven kan
de hoofdpijn een soort teken van ontwenning zijn. Het nuchter zijn kan
ook leiden tot een laag suikergehalte in het bloed wat ook hoofdpijn
kan veroorzaken.
Problemen om te wateren.
Na een spinale of epidurale verdoving bestaat vooral bij mannen het
risico dat ze tijdelijk wat moeilijk kunnen wateren. Vrouwen kunnen
tijdelijk last hebben van spontaan urineverlies. Soms zal het dan ook
nodig zijn dat men een blaassonde plaats om het probleem op te lossen.
Algemeen kan men stellen dat alle vormen van anesthesie zeer veilig
zijn. De meeste verwikkelingen die zich tijdens een operatie voordoen
hangen samen met de algemene gezondheidstoestand van de patiënt
(b.v aandoeningen van hart of longen, zwaarlijvigheid, roken, ..) en
de operatie zelf.
Een operatie blijft een ingrijpende gebeurtenis. Het lichaam heeft dan
ook tijd nodig om hiervan te herstellen en terug op krachten te komen.
Hoe gezonder de patiënt voor de operatie is, hoe minder kans op
problemen nadien.
Welke problemen zich ook voordien, welke vragen men als patiënt
ook heeft over de operatie en de anesthesie, aarzel niet de anesthesist
om advies te vragen.
WIE IS DE ANESTHESIST ?
1. De opleiding
Een anesthesist is een arts die de fysiologie en pathologie (kennis
van de werking van het gezonde en het zieke lichaam), de anatomie (kennis
van de opbouw van het lichaam) en de farmacologie (kennis van hoe een
medicament in het lichaam werkt en eruit verdwijnt) dagelijks toepast
in situaties die snelheid (seconden) en flexibiliteit in aanpak vereisen.
Anesthesie is de enige tak in de geneeskunde waar zo snel rechtsreeks
en diepgaand op het lichaam wordt ingegrepen.
Na een 7-jarige opleiding in de genees-, heel- en verloskunde moet de
geneesheer- specialist-in-opleiding zich gedurende 5 jaar specialiseren
in de anesthesie en zijn deelgebieden (b.v. urgentie en intensieve geneeskunde,
behandeling van chronische pijn). Heel wat anesthesisten volgen na hun
specialisatie nog een bijkomende opleiding van één jaar
in de intensieve of urgentiegeneeskunde of chronische pijn.
De afgestudeerde artsen zijn wettelijk verplicht om gedurende hun hele
loopbaan jaarlijks een aantal bijscholingen en congressen te volgen
en dit ook te staven.
2. Het werkterrein
a. Operatiezaal
Het is duidelijk dat anesthesie een zeer belangrijke rol speelt voor
het welslagen van een operatie. Anesthesisten dienen niet alleen de
narcose toe, maar zij gaan ook tijdens en de eerste uren na de operatie
nauwlettend de ademhaling, bloeddruk, pols en vochtverlies van de patiënt
observeren en eventuele problemen behandelen.
De anesthesist moet de fasen van de chirurgische ingreep kennen om te
kunnen voorzien wanneer een bepaalde meer pijnlijke of destabiliserende
handeling zal uitgevoerd worden zodat preventieve maatregelen kunnen
genomen worden door b.v. de narcose te verdiepen of destabilisatie van
de bloedsomloop te voorkomen. Omgekeerd is het de taak van de chirurg
om de anesthesist voortdurend in te lichten over de stand van zaken.
b. Urgentie- en intensieve geneeskunde
Gezien hun opleiding zijn anesthesisten zeer goed geplaatst om op te
treden bij dringende, levensbedreigende situaties. Zij hebben de kennis
om snel en adequaat op te treden in situaties waar het leven van de
patiënt gevaar loopt (b.v. na een verkeersongeval, verdrinking,
hartaanval, …). Zij zorgen ervoor dat de toestand van de patiënt
gestabiliseerd wordt (bloeddruk, pols, ademhaling onder controle) en
bereiden hem optimaal voor op een eventuele verdere behandeling.
Dezelfde kennis en “know how” is ook perfect toepasbaar
op intensieve zorgen waar de anesthesist zorgt voor de ondersteuning
van hart en ademhaling, diagnose en behandeling van de kritisch zieke
patiënt.
c. Pijntherapie
De anesthesist is niet alleen verantwoordelijk voor de pijnbehandeling
tijdens de operatie, ook na de operatie is het zijn taak om ervoor te
zorgen dat de patiënt zich comfortabel voelt en de pijn onder controle
blijft. Dit geldt zowel voor patiënten die na de operatie in het
ziekenhuis blijven als voor de patiënten die na dagchirurgie opnieuw
naar huis gaan. Aan deze patiënten worden richtlijnen meegegeven
voor een goede pijnbehandeling thuis.
Vanuit hun ervaring met diverse methoden van pijnbehandeling bij de
operatiepatiënt zijn anesthesisten ook uitstekend geplaatst voor
een gedegen aanpak van de pijnbehandeling bij chronische pijnklachten
en kankerpijn.
d. Bevallingen
Tijdens een bevalling zorgt de anesthesist voor het onderdrukken van
de pijn tijdens de weeën en ook voor de anesthesie bij een keizersnede.
Hierbij wordt meestal een spinaal – epidurale techniek toegepast
zodat alleen de onderste lichaamshelft verdoofd wordt, waardoor de moeder
in aanwezigheid van de vader de bevalling bewust kan meemaken.
e. Anesthesie buiten de operatiezaal
Op de diensten radiologie, hartkatheterisatie, endoscopie van maag en
darmen en onderzoeken van de luchtwegen en de longen wordt ook vaak
een beroep gedaan op de anesthesist. Het gaat dan over onderzoeken en/of
behandelingen waarbij de patiënt langdurig moet stilliggen, die
pijnlijk en onaangenaam zijn of waarbij het risico bestaat dat er zich
problemen voordoen met het hart of de bloedvaten. Denken we hierbij
onder meer aan het behandelen van een onregelmatige hartslag via de
binnenkant van het hart, het behandelen van een misvorming van een bloedvat
in de hersenen. Voor het comfort en de veiligheid van de patiënt
is het dan vaak ook aangewezen dat de patiënt onder lichte narcose
wordt gebracht.
f. Organisatie van het operatiekwartier
De anesthesist en de verpleegkundigen zijn voortdurend in het operatiekwartier
aanwezig. De verschillende chirurgische disciplines (abdominale heelkunde,
orthopedie, gynaecologie, …) gebruiken de faciliteiten en de
infrastructuur van een operatiekwartier ieder een bepaald aantal dagen
van de week.
Het is dus logisch dat de anesthesist en de verpleegkundigen samen de
hoofdverantwoordelijkheid hebben in de organisatie, zowel dagelijks
als op langere termijn, van een operatiekwartier (zaalverdeling, uurschema’s,
inpassen van urgente of onverwachte ingrepen,…). |